earth wind fire

Earth, Wind & Fire


Earth, Wind & Fire
Earth, Wind & Fire [ook wel EWF genoemd of The Mighty Elements of the Universe] is een Amerikaanse band die soul, funk, jazz- en discomuziek maakt – en ook verschillende muziekstijlen combineert – met prominente rollen voor percussie, blazers, kalimba, bas en zang. De band was vooral in de jaren zeventig populair.

1969-1972
Beginperiode
De band werd in 1969 in Chicago opgericht door Maurice White, voormalig sessiedrummer van het Chess-label, het songwritersduo Wade Flemons en Don Whitehead en gitarist Michael Beale. Onder de naam Salty Peppers brachten ze twee singles uit; La La Time werd een hit in het Midwesten, Uh Huh Yeah deed het minder. White [drums] en Flemons [zang, toetsen] verhuisden met Sherry Scott [zang] en Yackov Ben Israel [percussie] naar Los Angeles; Verdine White, de jongere broer van Maurice, verliet Chicago op 6 juni 1970 om zich bij de band aan te sluiten als bassist. Verdere versterking kwam van rietblazer Chester Washington, trompettist/arrangeur Leslie Drayton en trombonist Alex Thomas.

Maurice White vond Salty Peppers niet universeel genoeg klinken voor de plannen die hij met de band had en koos voor ‘Earth, Wind & Fire’, naar de elementen aarde, lucht en vuur in zijn horoscoop. Daarbij is Lucht [air] vervangen door het beter klinkende ‘Wind’. In die periode ging hij ook in de leer bij Charles Stepney, producer van latere EWF-albums en de eerste solo-lp van Minnie Riperton [Come To My Garden] waarop Maurice de drums voor zijn rekening nam.

In februari en november 1971 verschenen de eerste twee albums [Earth, Wind & Fire en The Need of Love; beide geproduceerd door Joe Wissert] op Warner en werd met I Think About Lovin’ You een eerste top R&B 40-hit gescoord. Tussendoor nam EWF ook de soundtrack op voor de Melvin van Peebles-film Sweet Sweetback’s Baadassss Song [uitgebracht op Stax] en bouwde de band een live-reputatie op in het universiteitscircuit; artistieke meningsverschillen maakten daar echter snel een einde aan.

Overstap naar Columbia/CBS
Maurice en Verdine White zaten echter niet bij de pakken neer; in 1972 richtten ze een nieuwe Earth, Wind & Fire op waarmee ze een jonger en breder publiek wilden aanspreken. Op advies van de manager rekruteerde Maurice jonge getalenteerde muzikanten in plaats van oude[re] jazzmusici; de nieuwkomers waren: Larry Dunn [toetsen], Jessica Cleaves [zang], Roland Bautista [gitaar], Ronnie Laws [sax/fluit], Ralph Johnson [zang/percussie] en Philip Bailey [zang/percussie]. Warner wist echter niet wat ze met het vernieuwde EWF moesten beginnen aangezien deze platenfirma al een funkband had [Charles Wright & the Watts 103rd Street Rhythm Band].

Clive Davis van Columbia Records was wel onder de indruk toen hij de band in New York zag optreden als voorprogramma van John Sebastian, en hij nam het Warner-contract over. Op het Columbia/CBS-debuut Last Days and Time staan twee covers: Where Have All The Flowers Gone [een door Pete Seeger geschreven nummer, dat later vertaald werd voor Marlene Dietrich als Sag Mir Wo Die Blumen Sind] en Breads Make It With You.

1973-1975
Het begin van een succesformule
Voorjaar 1973 verscheen Head To The Sky, het laatste album dat door Joe Wissert is geproduceerd. Ronnie Laws en Roland Bautista waren vervangen door saxofonist Andrew Woolfolk [voormalig klasgenoot van Philip Bailey] en gitaristen Al McKay [ex-Watts 103rd Street] en Johnny Graham. De singles waren single Evil – een vocale versie van een twee jaar oude instrumental – en het titelnummer; beiden haalden de R&B top 60. Naar aanleiding van het succes van Evil’, maar ook omdat sommige nummers een lage stem nodig hadden werd Maurice White [tenor] leadzanger naast Philip Bailey [falsetto]. Broer Fred [die bij Donny Hathaway en Little Feat had gespeeld] nam de drumstokken over.

Na het vertrek van Jessica Cleaves ging de band de studio in om met producer/songwriter Charles Stepney Open Our Eyes op te nemen. Op single verschenen Mighty Mighty [goed voor een 29e plaats in de poplijsten] en het spiritueel getinte Devotion.

Doorbraak
1974 was een druk jaar voor de band met een optreden op 6 april op het California Jam-festival, een openluchtfestival met 200.000 bezoekers op het California Speedway terrein en een samenwerking met Ramsey Lewis op diens album Sun Goddess. EWF speelde in dat jaar in een speelfilm de rol van een band wordt die ontdekt door Coleman Buckmaster [gespeeld door Harvey Keitel] en die tijdens hun eerste plaatopname met de keerzijde van de muziekindustrie wordt geconfronteerd: That’s the Way of the World, geproduceerd door Sig Shore.

De film verscheen in 1975 maar werd geen succes; in tegenstelling tot de vooraf uitgebrachte soundtrack waarvan Shining Star en het titelnummer [That’s the Way of the World] hits werden. EWF werd de eerste zwarte act die tegelijkertijd de Billboard single- en albumlijsten aanvoerde en bleef vanaf toen jaren aan de top.

That’s the Way of the World betekende ook het begin van het gebruik van Egyptische symbolen en piramiden op platenhoezen, kleding en podiumdecoratie. Tijdens tournees kon men onder andere het volgende aanschouwen: Verdine White die tijdens zijn bassolo’s door middel van trucage in een horizontale positie werd gebracht en mid air bleef doorspelen; de finale waarbij de bandleden in een piramide verdwenen die daarna uiteenklapte. Deze tournees werden geregisseerd door Doug Henning en diens assistent David Copperfield. George Faison tekende voor de choreografie.

Op het podium, maar ook in de studio, werd EWF door The Phenix Horns begeleid; deze blazerssectie bestond uit Donald Myrick [saxofoon], Louis ‘Lui lui’ Satterfield [trombone], Michael Harris [trompet] en Rahmlee Michael Davis [trompet].

De band toerde door Europa als voorprogramma van Santana en deed daarbij op 11 oktober 1975 de Rotterdamse Ahoy aan. Ondertussen verscheen de live-dubbelaar Gratitude waarvoor enkele nieuwe nummers waren opgenomen, zoals Sing a Song en Can’t Hide Love. Gratitude stond drie weken op nummer 1 in de pop en R&B-lijsten en leverde de Phenix Horns hun eerste credits op. EWF werd door lezers van het muziekblad Downbeat uitgeroepen tot beste rock/blues-groep.

1976-1979
Hoogtijdagen
Eind 1975 zette Maurice White z’n eigen productiemaatschappij op: Kalimba Productions, vernoemd naar de Afrikaanse duimpiano die hij bij Ramsey Lewis had leren spelen en die op veel nummers van Earth Wind & Fire te horen is. Onder deze vlag schreef en produceerde White voor onder andere Deniece Williams [ex-achtergrondzangeres van Stevie Wonder] en The Emotions, een trio dat tussen 1969 en 1974 gecontracteerd stond bij Stax. Op hun debuutalbums bij Columbia [respectievelijk This Is Niecy en Flowers] speelden diverse EWF-leden mee, inclusief de Phenix Horns en de producer zelf.

Ondertussen was de band zelf ook bezig met een nieuwe plaat, maar op 17 mei 1976 stierf Charles Stepney op 43-jarige leeftijd aan een hartaanval. Maurice White nam de productie over en het in oktober verschenen Spirit werd aan Stepney opgedragen. De rij hits werd voortgezet met Getaway [een nummer van buitenaf dat door Verdine White werd meegenomen naar de band] en Saturday Nite.

EWF toerde door Zuid-Amerika en deed daar inspiratie op voor All ’n All dat in november 1977 uitkwam en dat de hits Serpentine Fire, Jupiter en Fantasy voortbracht; in Amerika leverde het drievoudig platina op en twee Grammy Awards.

Speciaal voor de Bee Gees-film Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band werd een coverversie opgenomen van het Beatlesnummer Got to Get You into My Life; de film flopte maar EWF hield er wel weer een hit aan over [nummer 1 in de R&B-lijst, nummer 9 in de Billboard top 100] en een Grammy.

Maurice White en het management zetten een nieuw platenlabel op [het door CBS te distribueren ARC] en twee opnamestudio’s in Los Angeles [George Massenburg/ARC en The Complex]. Op 23 november 1978 werd de eerste Best Of [The Best Of Earth Wind & Fire, Vol. 1] uitgebracht [vijf keer platina]; hierop staat naast het eerder genoemde Got To Get You Into My Life ook de nieuwe single September en nog een derde nieuwe track, Love Music.

Ook Philip Bailey hield zich bezig met nevenprojecten; hij produceerde de eerste twee platen van Kinsman Dazz [de latere Dazz Band die in 1985 een Nederlandse hit scoort met Let It All Blow] waarvoor hij ook de zangpartijen arrangeerde.

Op 10 januari 1979 was EWF te zien tijdens het Unicef-gala concert; er werden twee nummers gespeeld [September, That’s The Way Of The World] waarvan een werd afgestaan aan de bewuste kinderrechtenorganisatie. Daarna toerde de band door Europa en Japan; de Ahoy-concerten op 15 en 16 maart werden opgenomen voor de Soulshow van Ferry Maat.

Op 16 juli 1979 verscheen I Am dat samen met All ’n All als de beste EWF-plaat wordt beschouwd. De grootste hit hiervan werd het door Maurice White en Al McKay geproduceerde Boogie Wonderland waarop de Emotions meezongen. Dit nummer, volgens Verdine White “een echte four on the floor”, werd door de discogeneratie omarmd maar men waakte ervoor om als discoband te worden beschouwd.

De overige singles waren Star, Can’t Let Go, In The Stone [in 1986 het themanummer van het door Dieuwertje Blok gepresenteerde filmprogramma VARA’s Filmnieuws] en de met een Grammy bekroonde ballad After The Love Has Gone [nummer 2 in Amerika].

De band leek op latere albums nog pogingen te ondernemen om ballads te schrijven die in veel opzichten doen denken aan After The Love Has Gone, maar die het niveau en succes van dit nummer niet meer evenaarden. De ballad After The Love Has Gone is overigens geschreven door meestergitarist en componist Jay Graydon uit Los Angeles samen met de Canadese meestercomponist David Foster, en Bill Champlin van de band Chicago. Deze hit bereikte nummer 2 op the Billboard Hot 100 singles chart.

1980-1983
Nieuwe wegen
In oktober 1980 kwam EWF voor het eerst sinds Gratitude weer met een dubbelaar; hoewel Faces geen onverdeeld succes was, leverde het toch een gouden plaat op. Toen Maurice in 2007 naar zijn favoriete EWF-plaat werd gevraagd, antwoordde hij “Faces; omdat we in vorm waren, samen speelden en van de gelegenheid gebruik maakten om nieuwe wegen in te slaan”.

Singles afkomstig van dit album zijn onder andere Let Me Talk, Back On The Road en And Love Goes On. Vlak na de verschijning verliet Al McKay de band voor een carrière als producer; Roland Bautista keerde terug als gitarist en bracht hardrock-invloeden met zich mee.

Phil Collins bezocht een van de Europese EWF-concerten en vroeg de Phenix Horns om mee te werken aan zijn solodebuut Face Value; naar aanleiding van dit succes waren ze ook te horen op onder andere No Reply At All en Paperlate van het Genesis-album Abacab. Ook daarna bleven de Phenix Horns met Collins werken; het nummer Saturday Nights and Sunday Mornings van But Seriously uit 1989 werd later gebruikt als herkenningstune van de talkshow Barend & Van Dorp.

De elektronische albums
In het najaar van 1981 verscheen het album Raise! [goed voor platina] waarop gebruik werd gemaakt van de vocoder; de singles zijn Let’s Groove, I’ve Had Enough en het met een Grammy bekroonde Wanna Be With You.

Voor de Raise!-tournee werd een geheel nieuwe podium-act bedacht met veel lasertechnieken. Op 26 en 27 februari 1982 stond EWF met deze spectaculaire show in de Ahoy. Een verkorte concertregistratie van een van deze shows in de VS werd later op VHS [en daarna op dvd] uitgebracht onder de titel In Concert. In het voorjaar van 1983 bracht EWF het in veel opzichten op Raise! gelijkende album Powerlight uit met de singles Fall In Love With Me, Side By Side en Spread Your Love. Voor de soundtrack van de tekenfilm Rock & Rule werd het nummer Dance Dance Dance opgenomen.

Nog datzelfde jaar verscheen Electric Universe; dit album, waarvan Magnetic de eerste single is, werd zowel artistiek als commercieel een flop door het rock-georiënteerde geluid en de prominente aanwezigheid van synthesizers [die de afwezige Phenix Horns vervingen]. Maurice White gaf toe dat er sprake was van haastwerk en Electric Universe ging de geschiedenis in als de meest gedateerde EWF-plaat.

1984-1986
Soloprojecten
Begin 1984 ging EWF – tijdelijk, zoals later zou blijken – uit elkaar; diverse leden waren toen al bezig met soloprojecten.

Verdine White was achter de schermen werkzaam als songschrijver en clipregisseur; ook promootte hij de toenmalige generatie funkbands [Troublefunk en E.U.]. Tevens nam hij samen met toetsenist Larry Dunn de productie van het Level 42-album Standing In The Light voor zijn rekening.
Philip Bailey bracht al in juni 1983 zijn eerste solo-album uit; Continuation werd geproduceerd door George Duke en bevat duetten met Deniece Williams en Sister Sledge. Eind 1984 verscheen de opvolger Chinese Wall waaraan de Phenix Horns meewerkten. Niet toevallig werd het album geproduceerd door Phil Collins die ook meezong op de eerste single Easy Lover. Het leverde een wereldhit op en een MTV Award. Inside Out, de eerste van drie gospelplaten, bracht daar geen vervolg op.
Maurice White bracht in 1985 z’n enige solo-album uit waarmee hij bewees ook in zijn eentje als EWF te kunnen klinken. De pers was daar niet van overtuigd: “Maurice White pleegt een Lionel Richie” was de heersende gedachte. Het titelloze album werd vertegenwoordigd door de Ben E. King-cover Stand by Me [nummer 6 in de R&B-chart] en I Need You.
Verder produceerde Maurice platen van Neil Diamond [Headed For The Future; goed voor goud], Barbra Streisand [het met platina bekroonde Emotion] en Cher.

1987-1993
Return of the Elements
In mei 1986 verscheen de verzamelaar [The Collection], en naar aanleiding van dit succes werd Maurice White en Philip Bailey gevraagd om EWF weer bijeen te brengen; een win-win situatie volgens CBS.

Bijgestaan door oudgedienden Verdine White [die overigens niet op het album speelde] en Andrew Woolfolk, alsmede nieuwkomers Sheldon Reynolds [zang/gitaar], Sonny Emory [drums], de EWF Horns [saxofonist Gary Bias, trompettist Ray Brown en trombonist Reggie Young] en vlak daarna ook Ralph Johnson brachten ze in 1987 Touch The World uit. Van deze gouden plaat [nummer 33 in de Billboard top 100] werd System of Survival de eerste single; het nummer was geschreven door een zekere Skylark, waarvan niet bekend is of het nu om David Foster of de latere Doobie Brothers-bassist gaat. Het verhaal doet de ronde dat de tekst en muziek voor dit nummer zouden zijn achtergelaten, geklemd onder de ruitenwissers van de auto van Maurice White.

Eind 1988 verscheen de tweede Best Of [The Best Of Earth Wind & Fire, Vol. 2] en kwam de band naar Nederland voor een concert. In 1989 kwam Philip Bailey’s tweede gospelalbum uit: Triumph, bekroond met een Grammy.

In 2016, het jaar waarin Maurice White op 74-jarige leeftijd kwam te overlijden, toerde de band weer langs de Europese festivals met concerten op Glastonbury en North Sea Jazz.

 

Bron: Wikipedia [klik hier voor volledige biografie]